Gemeente Midden-Drenthe

close

Kijkvragen

 

  • Bekijk de praat plaat, wat valt je als eerste op?
  • Wie zie je linksboven door het gordijn kijken?
  • En wie slapen er in het bed?
  • Waarom moeten de kinderen stil zijn?
  • Waarom schreeuwt de politieman tegen de jongen?
  • Wat gebeurt er rechts bovenin?
  • Wie is de vrouw in het midden van de plaat?
  • Met wie belt deze vrouw?
  • Wie zit er in de huifkar links in beeld?
  • Wie zie je bij de oranje auto staan?
  • En wie zie je rechts in beeld aan de telefoon?
  • Met wie belt dit meisje?
  • Wat hebben deze verhalen met vrijheid te maken?
  • En kan je Aaldert ook vinden?

 

Midden-Drenthe: het verhaal over Max 

Max ligt in bed. Hij heeft zijn handen achter zijn hoofd en kijkt naar de gesloten gordijnen. Door een smalle kier ziet hij een paar fonkelende sterren. Vroeger vond ik die mooi, denkt Max. Maar tegenwoordig verafschuw ik ze. Nu alle Joden een ster moeten dragen, hebben ze voor mij een andere betekenis gekregen. Sterren houden in, dat ik dingen niet meer mag. Het begon vorig jaar. Ineens mochten Max, zijn zusje en twee broertjes niet meer naar hun eigen school. Verboden voor Joden. Ook mochten ze niet meer op bezoek bij andere mensen. Verboden voor Joden. De slagerij van zijn vader moest dicht. Eigen winkels, verboden voor Joden. En het allerergste, hij mocht niet meer met al zijn vrienden spelen. Verboden voor Joden! Max slaat de dekens opzij en stapt voorzichtig uit bed. Hij kijkt naar zijn broertjes Antonie en Nathan. Ze liggen dicht tegen elkaar aan en slapen. Op z’n tenen loopt Max naar het raam en tuurt naar buiten. Het is stil op het marktpleintje. Niemand die op dit tijdstip nog naar buiten gaat.

Zou Bram al slapen, denkt Max. Bram is zijn buurjongen, maar ook zijn vriend. Bram en hij trekken zich niet zoveel aan van het speelverbod. Stiekem doen ze af en toe nog dingen samen. Max herinnert zich nog goed hoe ze aan het begin van de oorlog onder de toonbank van de slagerij zaten en Duitse soldaten begluurden. Toen wisten ze nog niet hoe het leven in hun dorp zou veranderen. Maar misschien wordt het over een poosje wel weer beter, denkt Max. En vallen al die verhalen over Joden die worden opgepakt wel mee. Misschien had hij zijn postzegelverzameling helemaal nog niet naar zijn vriend hoeven te brengen. Vanmorgen had hij dat ineens besloten. In de keuken hoorde hij zijn vader en moeder praten over kampen in Polen. Max merkte hoe bang zijn ouders waren. Ze hadden verhalen gehoord dat Joden in treinen werden gezet en naar Polen werden vervoerd. Maar ook dat Joden hun huizen moesten verlaten en al hun spullen werden geroofd. Ze vroegen zich af of dat ook in Beilen kon gebeuren. En toen had Max aan zijn postzegelverzameling gedacht. Er zaten heel bijzondere exemplaren tussen, daar had hij heel veel moeite voor gedaan. Die mochten echt niet in handen van die Duitsers vallen. Max voelt dat hij koude voeten krijgt. Hij trekt de gordijnen beter dicht en loopt terug naar zijn bed. Nog even kijkt hij naar Antonie en Nathan. Die liggen nog steeds rustig en ontspannen tegen elkaar aan. Max glimlacht. Als je zo kunt slapen, heb je geen last van oorlog, schiet er door zijn hoofd. Dan denk je aan andere dingen. Dat moet ik ook proberen.

“Boem, boem! Het huis dreunt. Max schrikt wakker en schiet overeind. Wat was dat? Viel een van zijn broertjes uit bed? Vlug kijkt hij opzij. Nathan en Antonie slapen nog. Opnieuw een harde bons. Het komt van beneden. Max voelt dat zijn adem klem zit. Zijn hele lijf verkrampt. “Open die deur! Anders trappen we hem in!” wordt er geschreeuwd. Met een ruk slaat Max de dekens weg. “Antonie, Nathan,” fluistert hij. “Wakker worden, snel.” Zijn broertjes kreunen en knipperen met hun ogen. “Opschieten,” sist Max. “Ze staan voor de winkel.” De slaapkamerdeur van zijn ouders piept. Voetstappen klinken op de trap. “Ik kom, ik kom,” hoort hij zijn vader roepen. Dan vliegt de winkeldeur met een knal open. Max hoort geschreeuw en gestamp. Met veel lawaai dringen mensen hun huis binnen. Antonie kijkt zijn grote broer angstig aan. “Wat…moeten we doen, Max,” stamelt hij. “Kleren aan en verstoppen. Ik ga naar beneden.” Max grijpt z’n trui en broek en schiet ze aan. Bij de deur draait hij zich om en houdt de vinger voor z’n mond. “En geen geluid maken,” waarschuwt hij.

Beneden worden deuren opengetrokken. Glazen vallen rinkelend op de grond. Max hoort harde stemmen en daartussendoor zijn vader die probeert de woestelingen tegen te houden. Maxs hart bonkt. Is dit, waar zijn ouders zo bang voor waren? Met knikkende knieën loopt hij de trap af. Beneden wordt hij door een man in een zwart uniform vastgepakt. “Wie zijn er nog meer boven?” wil de man weten. Max aarzelt, moet hij vertellen dat ze twee slaapkamers hebben? Dat zijn moeder, zusje en broertjes daar zijn? De man grijpt hem hard bij zijn kin en knijpt. “Vertel op!” blaft hij. Max weet niet wat hij moet doen, hij wil zijn familie niet verraden.  De man laat hem los en duwt hem met geweld de winkel in. “Naar binnen jij,” tiert hij, “Ik ga zelf wel kijken.”

Op handen en voeten tuimelt Max de slagerij binnen. Hij ziet zijn vader en Duitse militairen. Eén van hen draagt een lange leren jas en zwarte, glimmende laarzen. Langzaam loopt hij naar Max toe, kijkt hem doordringend aan en stapt dan de gang in. Even later komt hij samen met de man in uniform terug. Ze hebben moeder, Betje en Antonie bij zich. Max schrikt. Waar is Nathan? Hebben ze hem iets aangedaan? Met harde hand wordt iedereen de winkel uitgejaagd. Max wringt zich naast Antonie. “Waar is Nathan?” fluistert hij. “Door het slaapkamerraam,” huilt Antonie.

De volgende dag wordt Nathan gepakt op het terrein van Beileroord en naar kamp Westerbork gebracht. Twee dagen later gaat het hele gezin, samen met 2000 anderen, op transport naar Auschwitz.

Auteur: Chris Vegter

 

 

Luisterverhaal A

 

Midden Drenthe: het verhaal over Nienke

“Hoi oma.” Nienke zwaait naar het scherm van haar iPad. Een hoofd met roodgrijze krulletjes komt groot in beeld. “Ach, lieverd, wat leuk dat je belt. Wacht even. Dan zet ik de tablet op tafel.” Het beeld op de iPad wiebelt en staat weer stil. “Zo, ik zit,” hoort Nienke haar oma zeggen. Stiekem moet ze lachen. Een jaar geleden wilden opa en oma niets weten van bellen via Facetime. Maar nu, met het coronavirus, zijn ze er ontzettend blij mee. “Hoe is het met je?” vraagt ze. Het gezicht van oma betrekt. “Ach, het gaat wel.” “Maak je je veel zorgen?” Oma zucht en bijt op haar lip. Langzaam beweegt ze haar hoofd op en neer. “Ja,” antwoordt ze. “Sinds opa naar de IC is gebracht, ben ik heel ongerust.” De rimpels in het gezicht van oma worden groter en dieper. Het lijkt of haar hoofd een beetje krimpt. “Ben je bang?” vraagt Nienke. Oma sluit haar ogen en vouwt haar handen voor haar mond. “Ja,” zegt ze zacht. “Bang dat ik opa kwijtraak.” Nienkes buik trekt samen. Haar spieren vormen één grote klont. Ze weet dat opa ernstig ziek is. En ook dat er mensen overlijden aan het coronavirus. Maar ze heeft er nooit bij stil gestaan dat haar opa dat ook kan overkomen. Even weet ze niet wat ze moet zeggen. Het liefst wil ze door het beeldscherm kruipen en oma tegen zich aan trekken.

Oma is de eerste die weer begint te praten. “Opa en ik kennen elkaar al 42 jaar,” zucht ze. “We hebben het altijd fijn gehad. En de gedachte dat ik hem straks misschien moet missen, maakt me bang.” Nienke ziet dat de tranen in de ogen van haar oma. Ze wil haar troosten. Maar dat is moeilijk vanachter je iPad. “Hoe hebben jullie elkaar eigenlijk leren kennen?” vraagt ze. Oma kijkt in de camera. Aan haar gezicht is te zien dat ze nadenkt. “Heb ik jou dat nog nooit verteld?” Nienke schudt haar hoofd. “Nee, maar ik zou het wel leuk vinden om te weten.” Even aarzelt oma. Dan ademt ze diep in. Zacht begint ze te vertellen.

“Het gebeurde tijdens een vakantie. In de zomer van 1978. Samen met drie vriendinnen maakte ik een huifkartocht door Drenthe.” “Echt waar?” vraagt Nienke. “In zo’n wagen met een paard ervoor?” “Ja, nostalgisch hé. Ik woonde in die tijd in Rotterdam en deed een opleiding als verpleegkundige. Met z’n vieren vertrokken we vanuit Orvelte. Na een paar dagen kwamen we in Noord-Sleen. We mochten de huifkar bij een boer op het erf zetten. En die avond aten we in café Wielens. Ik denk dat we alle vier erg leuke meiden waren, want de hele tocht hadden we al veel bekijks van jongens. Die avond ook. En één van die jongens was opa.” “Hebben jullie direct gezoend?” wil Nienke weten. Oma glimlacht. “Nee, joh, zo snel ging dat niet. Opa was die avond met vier anderen. Een van hen had een auto. Ze boden aan om ons Drenthe te laten zien. Want met een auto ging dat veel sneller dan met een huifkar, beweerde opa.” “En zijn jullie toen meegegaan?” “Nee, hoor, wij waren best voorzichtig. Die avond hebben we gewoon onze huifkar opgezocht. Maar we kregen wel hun telefoonnummer. En toen we terug waren in Orvelte, besloten we om ze te bellen. Maar niemand van ons vieren durfde. We spraken af om nog even een middagdutje te doen en degene die het eerst wakker werd, moest de jongens bellen.”

“En was jij dat, oma?” vraagt Nienke. Oma lacht. “Ik denk dat niemand van ons echt sliep. Volgens mij deden we alle vier alsof. Ja en ik heb die jongens gebeld.” “En werden jij en opa toen verliefd?” Nienke ziet dat oma steeds meer begint te stralen. “Nee, gekkie, maar ik vond hem wel ontzettend leuk.” “Maar wanneer hebben jullie dan voor het eerst gezoend?” Oma giechelt. “Tijdens het afscheid nemen in Orvelte.” “En toen hadden jullie verkering?” “Nee, nog niet. Ik ging verder met mijn studie in Rotterdam en opa bleef in Drenthe. Maar hij had wel het telefoonnummer van het zusterhuis waar ik woonde. Hij belde heel vaak.” “Maar jullie zagen elkaar niet. Rotterdam ligt ver van Drenthe.” Oma zet haar ellebogen op de tafel en kijkt vrolijk in de camera. “Dat klopt, Nienke. Maar ik dacht veel aan opa. En opa aan mij. Op een dag kwam hij op bezoek en toen…. was het raak.” “Zijn jullie direct getrouwd?” “Ja, een jaartje later. Op 28 september 1979 gingen we samen in Westerbork wonen. We hebben het al die jaren heel goed gehad.” Nienke merkt dat haar oma fijne herinneringen heeft aan vroeger.

“Maar we hebben het ook getroffen hoor,” gaat oma verder. “Met z’n tweetjes, maar zeker ook met het land en de tijd waarin we leven. We zijn na de tweede wereldoorlog geboren. En vanaf die tijd heerst er hier in Nederland vrede.  Al 75 jaar. Die hele periode is er geen oorlog geweest.  We leven in vrijheid. De meeste mensen hebben nooit meer voorspoed gekend dan nu. Er is genoeg te eten en we krijgen het steeds beter. We kunnen doen en laten wat we willen. In sommige delen van de wereld is dat heel anders. Daar worden mensen onderdrukt, wordt gevochten en lijden ze honger. Eigenlijk hebben we al die jaren geluk gehad. Ik heb laatst gelezen dat er voor het eerst in de geschiedenis minder mensen sterven door geweld dan door ongelukken. En er minder mensen overlijden aan infectieziektes dan van ouderdom. ”

Ineens ziet Nienke het gezicht van haar oma veranderen. Het lijkt alsof er een pikzwarte schaduw over haar wangen glijdt. “Wat is er oma?” vraagt ze geschrokken. Oma schudt haar hoofd. Haar ogen stromen weer vol. “Opa en ik dachten dat we samen in vrijheid oud zouden worden,” snikt ze. “Tot de coronacrisis kwam en opa zo ziek werd.” Verdriet druipt van oma’s gezicht. Nienke wil haar helpen, vastgrijpen, maar weet niet hoe ze dat moet doen. Bewegingsloos staart ze naar het beeldscherm.

Plotseling klinkt er een telefoon. Nienke schrikt. “Dat is bij jou, oma.” Haar oma wrijft haar wangen droog en kijkt op het display. “Het ziekenhuis,” fluistert ze. De haartjes op Nienkes arm schieten recht overeind. “Met mevrouw Van der Leur,” hoort ze oma zeggen. Gespannen kijkt Nienke naar het beeldscherm. De ogen van oma worden groot. Haar mond zakt langzaam open. “Meent u dat?” Nienke bijt op haar lip. “O…wat fijn,” hakkelt oma. “Dat is… een pak van mijn hart.” Nienke wacht tot oma de telefoon heeft neergelegd. “Wat is er?” vraagt ze. Zacht begint oma te huilen. “Opa is van de beademing,” snift ze. “Het gaat een stuk beter met hem. Morgen mag hij van de IC. En daarna kan ik bij hem op bezoek.”

Auteur: Chris Vegter

 

Luisterverhaal B

 

  • Bekijk de praat plaat, wat valt je als eerste op?
  • Wie zie je linksboven door het gordijn kijken?
  • En wie slapen er in het bed?
  • Waarom moeten de kinderen stil zijn?
  • Waarom schreeuwt de politieman tegen de jongen?
  • Wat gebeurt er rechts bovenin?
  • Wie is de vrouw in het midden van de plaat?
  • Met wie belt deze vrouw?
  • Wie zit er in de huifkar links in beeld?
  • Wie zie je bij de oranje auto staan?
  • En wie zie je rechts in beeld aan de telefoon?
  • Met wie belt dit meisje?
  • Wat hebben deze verhalen met vrijheid te maken?
  • En kan je Aaldert ook vinden?

 

U kunt kiezen uit drie verwerkingsopdrachten. De verwerkingsopdracht over Mannes Kats duurt circa 60 minuten. De verwerkingsopdracht over Vrijheid & Bevrijding duurt circa 15-30 minuten. De verwerkingsopdracht over Nienke duurt circa 45-60 minuten.

get_app Download hier de verwerkingsopdracht over Mannes Kats
get_app Download hier de verwerkingsopdracht over vrijheid en bevrijding
get_app Download hier de verwerkingsopdracht over Nienke

 

Verhaal A -  Max (Mannes) Kats

De informatie over Mannes Kats is ontvangen via het Herinneringcentrum Kamp Westerbork. 

Mannes Kats - geheel rechts

Verhaal B - Nienke

Het verhaal over Nienke is gebasseerd op het persoonlijke verhaal van Thea en Richard Fleurke.

Dit verhaal is vastgelegd door Ellen van Roosmalen van Stichting Kunst & Cultuur 

Dit is de trouwfoto van Richard en Thea Fleurke op 28 september 1979.

 

Voor meer informatie over deze workshop kunt u terecht bij 

Ellen van Roosmalen

0592 33 69 25

ellen@kunstencultuur.nl